vrijdag 19 juni 2015

Hypericine voor onderzoek en behandeling blaaskanker

Koeien die iets te enthousiast grazen in weiden waar veel Sint-Janskruid staat, krijgen een huidziekte, die hypericisme wordt genoemd. Tenminste, als ze een lichte vacht hebben en niet op stal gehouden worden. Gezond boerenverstand leidt daar uit af dat er een verband is tussen Sint-Janskruid en licht. Dat effect was blijkbaar zo voor de hand liggend dat het al sinds het begin van deze eeuw bekend is -wat hypericine, de stof in Sint- Janskruid die verantwoordelijk is voor dit fenomeen, meteen tot de oudst bekende fotosensibilisator maakt. Recent onderzoek toont aan dat deze stof ook uitermate nuttig kan zijn om blaaskanker op te sporen en zelfs te behandelen.

Blaaskanker, na prostaatkanker de meest voorkomende urologische kwaadaardige aandoening, is in sommige gevallen zeer moeilijk op te sporen. Oppervlakkige tumoren - ongevaarlijk, omdat zij niet doorheen de spierlaag groeien - zijn makkelijk vast te stellen bij een cytoscopie - endoscopisch onderzoek van de blaas - omdat ze een verdikking geven van de blaaswand. Invasieve tumoren daarentegen geven in hun ontstaansfase geen toename van het aantal cellagen te zien en zijn dus niet vast te stellen bij een cystoscopie. En net die tumoren zijn gevaarlijk: ze groeien doorheen de spierlaag, en veroorzaken op die manier uitzaaiïngen via het bloed en de lymfebaan. Op het moment dat je ze kan zien, kom je te laat, want dan zijn ze al doorheen de spierlaag gegroeid.

Steekproef
De uroloog krijgt wel een vermoeden van een invasieve tumor in de ontstaansfase - carcinoma in situ -, wanneer de patiënt symptomen van een blaasontsteking vertoont, terwijl zijn urine normaal is, zonder etter of kiemgroei. In dat geval worden afgeschilferde cellen in de urine onderzocht, waarbij de kwaardaardige cellen gemakkelijk kunnen onderscheiden worden. Om de haarden van carcinoma in situ op te sporen, moet de uroloog vervolgens op verschillende plaatsen stukjes blaasweefsel wegnemen -een omslachtige en onzekere methode, omdat het niet meer dan blinde steekproeven zijn. De haarden worden dus dikwijls gemist, met voor de patient zeer onprettige gevolgen. Na enkele maanden groeien de carcinoma in situ immers uit tot invasieve tumoren, en moet de hele blaas verwijderd worden. De voornaamste bekommernis van urologen was daarom om dergelijke haarden zichtbaar te maken. De laatste jaren werd daarvoor gebruik gemaakt van aminolevulinezuur - ALA -, dat in de blaas wordt geïnstilleerd en vervolgens wordt opgenomen door de cellen, en wel beduidend meer door kwaadaardige cellen dan door gezonde. In de cellen wordt het dan omgevormd tot een fluorescerende stof, zodat je met een Xenonlamp werkelijk kan zien waar de haarden zich bevinden: die lichten namelijk rood op. Een groot nadeel is evenwel de lage selectiviteit van ALA -vijftig procent van de zones die rood kleuren, bestaat uit volkomen normaal, gezond weefsel...
Interdisciplinair onderzoek van het Laboratorium voor Farmaceutische Biologie en Fytofarmacologie, de Afdeling Biochemie, en de Dienst Urologie van de UZ Leuven heeft aangetoond dat hypericine een oplossing kan bieden voor dit probleem. Bij een onderzoek naar bio-actieve stoffen, ongeveer vijf jaar geleden, bleek dat hypericine verbazend performant was. De techniek die vervolgens werd ontwikkeld is min of meer dezelfde als bij ALA: een oplossing met hypericine wordt in de blaas geïnstilleerd, er wordt meer hypericine opgenomen door de kwaadaardige cellen dan door de gezonde, en vervolgens kun je die cellen laten oplichten. Het grote voordeel is evenwel de grote selectiviteit van hypericine - 98 % -, waardoor het aantal vals positieve resultaten drastisch verminderd wordt, en de grote sensitiviteit - 93 % -, wat betekent dat slechts zeven procent van het kwaadaardige weefsel niet oplicht. De nieuwe diagnosetechniek wordt al routinematig toegepast in de UZ, en er is weinig dat een brede verspreiding in de weg staat. De Xenonlamp is al gecommercialiseerd. Volgens professor Marie-Ange D’Hallewin van de Dienst Urologie is de techniek, en de apparatuur die ervoor nodig is,“duur, maar niet meer of minder dan andere medische technieken. En het voordeel voor de patiënt is meer dan de moeite waard.”

Behandeling
Niet alleen voor de diagnose, ook voor de behandeling van de tumoren biedt hypericine mooie perspectieven. Stoffen die, zoals hypericine, een fluorescerende werking hebben, kunnen in een enkel geval namelijk ook fotodynamische kwaliteiten bezitten. In het geval van hypericine zelfs uitermate mooi gebalanceerd. Professor Peter De Witte van het Laboratorium voor Farmaceutische Biologie: “De meeste verbindingen die fluorescerend zijn, zijn tegelijk fotodynamisch, met het probleem dat beide fenomenen competitief zijn. Een verbinding die voor negentig procent zijn energie verliest aan fluorescentie, houdt dus nog maar weinig kracht over om fotodynamisch te zijn. Geactiveerde hypericine nu blijkt voor 30 procent zijn energie te verliezen aan fluoresceren, en voor zeventig procent aan fotodynamische activiteit. Dat is hoopgevend voor de fotodynamische therapie, wat in ons onderzoek voorlopig bevestigd wordt.”
Fotodynamische therapie vertrekt van drie factoren: fel licht, zuurstof, en een fotodynamische stof. Wanneer je een cel die hypericine bevat, belicht met een laser - veel feller dan de belichting die nodig is om de diagnose te stellen- begint de hypericinemolecule te reageren met de zuurstof die in de cel aanwezig is. De zuurstofmolecule wordt omgezet in een reactieve zuurstofmolecule, die vervolgens de cel in die mate oxideert -verbrandt-, dat ze vernietigd wordt. De cellen die geen hypericine hebben opgenomen - en die dus gezond zijn - blijven intact. Dat is dus het voordeel van het gebruik van hypericine tegenover ALA: het spaart de gezonde cellen. Met hypericine kan dus eigenlijk pas echt werk worden gemaakt van de ontwikkeling van fotodynamische therapie. De Witte: “We zijn nog niet zo ver dat we de techniek al op mensen kunnen toepassen, hoor. Maar uit testen is wel al gebleken dat hypericine waarschijnlijk aan de verwachtingen voldoet. Het is nu zoeken naar onder andere de juiste lichtintensiteit en werkomstandigheden, zodat we niet per ongeluk gezonde cellen beschadigen.”

Opening
Ook voor andere vormen van kanker zou de techniek vruchtbaar kunnen zijn, met die beperking dat licht maar een penetratie heeft van een halve centimeter, en “dat je erbij moet kunnen”, zegt De Witte. “Alles met een opening naar buiten komt dus in aanmerking: gastro-intestinaal systeem, de longen eventueel. Ook voor huidtumoren zou de techniek kunnen toegepast worden. En zelfs bloed, dat je eventueel buiten het lichaam kan leiden om te belichten. Maar ik benadruk dat we op dit moment enkel met de blaas in de weer zijn, dat trouwens een uitermate geschikt orgaan is voor deze techniek. Pas in een veel later stadium, als we voldoende ervaring hebben, kan er aan uitbreiding gedacht worden.”


https://sites.google.com/site/kruidwis/kruiden-a/hypericum-perforatum

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen